Leespreek E&M - Hand. 10 Samen in de naam van Jezus (ds M. de Vries, Rotterdam-Stad)
Waar mogen wij als kerk van Jezus Christus van dromen als kerk te midden van een uiteenvallende samenleving?
Preek over Handelingen 9,43-11,18Door ds. Marten de Vries
Rotterdam-Stad
Liturgie
Lezen en tekst: Handelingen 9,43-11,18
Suggestie: eventueel voor te lezen door drie verschillende bijbellezers:
- 9,43-10,23a
- 10,23b-48
- 11,1-18
Zingen
- Psalm 16:1,2,5 na votum en zegengroet
- Psalm 15 na de wet
- Gezang 9:2 na de bijbellezing
- Gezangen 167 na de preek
- Psalm 67:2 na de geloofsbelijdenis
- Psalm 87 na de collecte
Gemeente van de Heer, Jezus Christus,
Broeders en zusters,
Dromen zijn bedrog. Gebleken! De multiculturele droom is voorbij. We zijn wakker geschud. Wie gelooft, wanneer het gaat om de samenleving van moslims en niet-moslims, nog in een smeltpot van culturen, waaruit op den duur iets moois naar boven komt? In een regenboognatie, waar Nelson Mandela destijds van droomde voor zijn nieuwe Zuid-Afrika? Een botsing van culturen. Een ‘clash of religions’, dat is wat we ervan zien komen!
In Handelingen 10 wordt nog wel gedroomd. In elk geval, er is sprake van een engelenverschijning. Een Romein krijgt een gezicht op klaarlichte dag. En tijdens het middaguur raakt een Jood in opperste staat van vervoering. Een Romein en een Jood. De Romein keek neer op de achterlijke Jood. De Jood was vies van de onbesneden Romein. Maar God verschijnt aan beiden en brengt zodoende deze mannen bij elkaar. “ Samen in de naam van Jezus”.
“De doop van Cornelius”, staat boven Handelingen 10. Boven Handelingen 9 hebben ze geschreven: “Saulus geroepen”. Dat kan. Het hoeft niet. Het kan ook zo: Handelingen 9: “Saulus geroepen”. Handelingen 10: “Simon geroepen”. ’t Gaat over Cornelius. Maar wat we lazen is in elk geval óók een les voor Petrus. En voor de kerk. Voor de gemeenteleden in Judea uit hoofdstuk 11. En voor de kerk van alle tijden. Ook voor onze kerken hier en nu en straks.
Het thema van de preek is:
SAMEN IN DE NAAM VAN JEZUS
De preek bestaat uit drie gedeelten.
1) Eerst willen we wat gebeurd is met Petrus meemaken.
2) Vervolgens gaan we in de schoenen van Cornelius staan.
3) Tenslotte trekken we er een paar lessen uit. Waar mogen wij als kerk van Jezus Christus van dromen als kerk te midden van een uiteenvallende samenleving? En… wat kunnen we er zelf aan doen om iets van deze dromen te verwezenlijken?
1. Simon Petrus. Omdat we hem als hoofdpersoon beschouwen, beginnen we bij hem. Een stuk in drie bedrijven:
a) Petrus in Joppe
b) Petrus in Caesarea
c) Petrus in Jeruzalem.
1.1. Petrus in Joppe
Waar zit Petrus? In Joppe. Oude Testament: Jafo. Tegenwoordig: Jaffa, vlak bij Tel Aviv. Exact daar waar Jona vroeger van wal stak richting Tarsis in Andalusië, omdat die niet met het woord van God naar Ninevé, zeg maar: naar Mosul, naar Iraq wilde.
Maar je kunt het ook anders bekijken. Petrus zit tevens op de grens van het Oude en Nieuwe Testament. Hij heeft Pinksteren achter de rug, de christelijke feestdag, waarop de Heilige Geest werd uitgegoten. Die wonderlijke ervaring dat zijn preek over Gods grote daden door Jezus Christus verstaanbaar bleek voor Joden, Romeinen, Noord-Afrikanen, inwoners van de Golfstreek en… Arabieren!
Daarvóór was het al Hemelvaartsdag. Jezus werd opgenomen, nadat hij Petrus en zijn collega’s de opdracht gaf om in de kracht van de Geest het goede nieuws van Jezus Christus overal te verspreiden. In Jeruzalem en heel Judea: “Stad en Ommelaand”. Onder de Samaritanen: mensen met een religie, die leek op die van de Joden maar toch ook weer niet. En “tot aan de einden der aarde”.
Maar zover is het nog niet. Er is niet niets gebeurd. Er zijn een heleboel Samaritanen tot de Heer geleid. Door Filippus en door Petrus en Johannes. Zelfs een heel belangrijke Afrikaan kwam tot geloof, toen Filippus de profetieeën over “de dienaar van de Heer” op Jezus betrok. Filippus verkondigde het evangelie in de Gazastrook. Maar dat was het dan ook.
Petrus zit in Joppe. Petrus is een “Jezusjood”. Een jood, die gelooft in Jezus. Maar wel een echte jood. Hij kent en onderhoudt de voedselwetten. Hij weet wat de HEER eeuwen geleden heeft voorgeschreven in Leviticus 11 en Deuteronomium 14. Wat “haraam”, verboden is en wat “halaal”, toegestaan. En eten met niet-joden zal hij nooit. Die eten varkens. Die geef je zelfs liever geen hand.
Petrus heeft al wel een beetje leren relativeren. Tot verbijstering van de Farizeeën verklaarde Jezus eens alle spijzen rein. Maar hij moet nog meer leren om aan zijn roeping te kunnen beantwoorden. En die les krijgt hij nu.
Als de zon op z’n hoogtepunt is, gaat Petrus het dak op om te bidden. Denk aan een plat dak, zoals je vandaag nog altijd in het Midden-Oosten ziet. Waar watertanks en satellietschotels staan. Maar ook nog altijd mensen de was ophangen, slapen en… hun rituele gebeden verrichten.
Hij ruikt dat ze beneden voedsel klaarmaken. Hij krijgt geweldige trek. Hij raakt, misschien omdat hij tot op dat moment gevast heeft, buiten zinnen en ziet iets als een enorm tafelkleed dat vanuit de hemel voor z’n ogen neergelaten wordt. Met daarop een complete dierentuin, met reine en onreine dieren. En hij hoort een aansporing uit de hemel: “Ga je gang, Petrus. Slacht en eet”.
Petrus reageert geschokt. Geen denken aan. Nog nooit is er iets “haraams” door z’n keel gegaan. Maar de stem dringt aan. Drie keer. En dan is het gezicht voorbij.
Soms kan een droom je lang bezighouden. Hoe kwam ik er nou toch in vredesnaam bij om dat te dromen? Petrus krijgt daar niet eens de tijd voor. Er wordt aan de poort geklopt. Er zijn mannen die om hem roepen. Nou ja, die hoort hij niet eens, hij hoort de stem van de Heilige Geest. De Geest, die eerst Filippus aan het werk zette, zegt nu tegen Petrus dat hij naar beneden moet gaan. En mee moet met de mensen, die Hijzelf heeft gestuurd.
Het blijken nota bene Romeinen te zijn. Gestuurd door de heer Cornelius, die Petrus laat halen omdat hij van een engel heeft gehoord dat Petrus hem namens God iets te vertellen heeft. En Petrus laat dan zien dat het visioen als iets bij hem heeft losgemaakt. Als God zegt dat iets “halaal” is, mag Petrus het niet “haraam” noemen. Als God mensen brengt, mag hij ze niet terugsturen. Hij nodigt de onreine Romeinen in zijn huis. Ze mogen blijven eten en slapen onder zijn dak.
1.2. Petrus in Caesarea
Tweede bedrijf. Petrus gaat naar Cornelius in Caesarea. Maar niet in z’n eentje. Hij neemt zes broeders met zich mee. Daar aangekomen, treft hij een hoge Romein aan, die diep respect betuigt aan hem, een eenvoudige jood. Hij ontmoet ook familie, personeel en allerlei relaties van Cornelius.
Petrus legt er de vinger bij dat het niet normaal is wat nu gebeurt. Hij is een grens overgestoken. Dit zou hij vroeger nooit gedaan hebben. Joden gaan niet om met Samaritanen, evenmin met Romeinen. Hij is hier niet uit zichzelf. Cornelius heeft hem laten halen. Maar vooral: God heeft hem gestuurd!
Petrus luistert naar Cornelius’ toelichting, waarom hij hem heeft laten komen. En dan gaat Petrus preken. Hij treedt op als de “vreugdebode” uit Jesaja 52. Hij brengt goed nieuws, bestemd voor iedereen en niemand. Hij vertelt het verhaal van Jezus. Cornelius heeft over Hem gehoord, natuurlijk. Petrus zegt dat Jezus de Heer van alle mensen is. Dat Hij, begiftigd met Gods Geest, mensen bevrijdde uit de greep van de duivel. Zij hebben het met eigen ogen gezien.
Petrus brengt ook in herinnering dat de joden Jezus niet moesten en Hem aan een kruishout lieten ophangen. Dat Hij stierf, maar er niet in bleef. Hij stond weer op en droeg Petrus en z’n andere leerlingen op om het grote verhaal over Hem door te vertellen.
Petrus eist respect voor zijn Heer. Hij, en niet de keizer in Rome is de grote weldoener van de wereld. Iedereen moet zich eens voor Hem verantwoorden. God heeft Hem aangesteld als rechter. Door Hem kun je met God in het reine komen. Zoals trouwens alle profeten vóór zijn geboorte over Hem hadden gezegd.
En dan wordt de betekenis van het gezicht op het platte dak helemaal duidelijk. Pinksteren herhaalt zich. Tot verbazing van de joden krijgen ook Romeinen de Geest van Jezus. De droom wordt werkelijkheid. Er is dus echt geen verschil meer tussen rein en onrein. God trekt Romeinen en joden over de grens. Heidenen horen erbij, joden kunnen er niet onderuit. Midden in bezet gebiedt breekt Jezus een muur van vijandschap af. En de Geestesdoop wordt bezegeld met de waterdoop. Samen in de naam van Jezus bediend door Petrus’ metgezellen.
1.3. Petrus in Jeruzalem
Petrus heeft wel wat uit te leggen. In Jeruzalem. “Wat zullen we nou beleven? Is de doop tegenwoordig ook al voor onbesnedenen?” Nee, dat zeggen ze nog niet eens. Ze verwijten Petrus dat hij met Romeinen aan tafel heeft gezeten! Is er dan niets meer “haraam” tegenwoordig?
Jezus’ apostel neemt de tijd. Hij begrijpt dat zij niet zo snel kunnen meekomen. Híj heeft tenslotte dat gezicht gezien. Híj was er getuige van dat de belofte van de Heilige Geest ook bleek te gelden voor onbesnedenen. Evengoed als voor de joden op eerste Pinksterdag, wanneer ze zich overgaven aan Jezus Christus.
Petrus onderwijst geduldig. Met geduld dat wij in ons evangelisatiewerk ook moeten opbrengen voor elkaar. Trouwens, wij blijken zelf ook zomaar weer het evangelie liever voor onszelf te houden. En vallen, net als Petrus en Barnabas later, zomaar weer terug in deze oude fout.
Maar het resultaat in Jeruzalem is: het verzet breekt. Sterker nog, de broeders en zusters loven God. Als God muren slecht, moeten mensen die niet handhaven. Heil voor alle volken. Samen in de naam van Jezus.
2. Goed, dat was Petrus. Nu lopen we met Cornelius mee.
Wie was Cornelius eigenlijk? “Een centurio van de Italiaanse cohort”, lazen we. Een militair met een hoge rang. Hij had zo’n honderd man onder zich en behoorde met z’n mannen en vijf andere honderdmannen met hun ondergeschikten tot één van de tien legerafdelingen die samen een legioen vormden. Zo had de bezettende macht zich georganiseerd. Cornelius lag met z’n mannen in Caesarea, de hoofdstad van de Romeinse stadhouder van Judea.
Dat is het militaire verhaal. Belangrijker is wat volgt: “Hij was een vroom man die God vereerde”. De Romein was gecharmeerd geraakt van de religie van de joden. Hij was monotheïst geworden. Nog geen jood, geen proseliet. Nog niet besneden. Maar hij had de sympathie van de joden verworven, want hij bad al net als hen op gezette tijden.
Hij gaf aalmoezen. Vastte – staat in oude handschriften in vers 30. In islamitisch jargon: hij verrichtte de “salaat”, betaalde de “zakaat”en onderhield de “sauwm”, zoals moslims in de maand “ramadaan”. Hij had ook nog wel Romeinse trekjes. Bewees Petrus ten onrechte goddelijke eer. Maar laten we hem maar een “godzoeker” noemen. Een “hanief”, zouden moslims zeggen.
En God waardeert dit klein begin van gehoorzaamheid. Zozeer dat Hij hem een hemelbode op z’n dak stuurt. Je zou het kunnen vergelijken met de ervaring van heel wat christenen, afkomstig uit het huis van de islam. Voor ze tot Christus kwamen kregen ze eenmaal of vaker een droom.
Cornelius ontvangt een vreemd bevel. Hij moet ene Simon, alias Petrus uitnodigen. Die logeert bij weer een andere Simon, die in Joppe aan zee huiden looit. Want die Petrus heeft een belangrijke boodschap van God voor hem. De legerkapitein wordt stiknieuwsgierig, maakt er werk van en vier dagen later zit z’n huis vol. Z’n ondergeschikten zijn teruggekomen, samen met zeven joden. De Romein knielt neer voor de jood. Cornelius ziet in Petrus God Zelf bij hem binnenkomen.
Cornelius legt uit hoe hij erbij gekomen was om zijn mensen naar Caesarea te sturen. Hij betoont zich erkentelijk dat de Jood is gekomen. En Petrus moet maar gauw van wal steken. Ze zijn heel benieuwd!
Ze drinken Petrus’ woorden in, het hele gezelschap. Ze horen Petrus’ belijdenis: Jezus als God op aarde en Johannes diens profeet. Ze horen het evangelie. Over Gods grote daden door Jezus uit Galilea. Eeuwenlang was z’n komst aangekondigd door de profeten. Vlak tevoren was z’n optreden voorbereid door Johannes de Doper. En dan die exclusieve claim: deze Jezus zal rechtspreken over iedereen. Door Hem kunnen je zonden vergeven worden.
En dan die wonderlijke ervaring. Geen opstandigheid, zoals bij veel joden. Maar enthousiasme. De Heilige Geest, door Wie Jezus uit de dood was opgestaan, legt beslag op de aanwezige Romeinen. En Cornelius en de zijnen kunnen hun mond niet meer houden. Ze zijn buiten zichzelf van blijdschap dat zij deze boodschap mochten ontvangen. In verschillende talen wordt God geloofd op een verhoogde toon. Ook zij worden door God geaccepteerd. Èn de joden heten hen welkom. Ze worden gedoopt. “In Isrel ingelijfd”.
En Petrus en zijn mannen blijven nog een paar dagen. Ze blijven eten bij de Romeinen. Uit hun pannen en van hun borden. Ze zijn niet meer vies van hen. Want samen zijn ze schoongewassen door het bloed en de Geest van Jezus Christus. Ze zijn samen in de naam van Jezus.
3. De toepassing van de preek. Voorzover nog nodig.
We hebben het verhaal nu tweemaal gehoord nadat we het driemaal hadden gelezen. Misschien moeten we het nog veel vaker over ons heen laten komen. Want er zit heel wat in om nooit te vergeten. Het was een prachtig verslag voor Theofilus, voor wie Handelingen of II Lucas in eerste instantie te boek werd gesteld. Het was dus echt iets voor hem, wat Jezus vóór z’n hemelvaart deed en leerde èn wat er verder volgde.
Het behelst ook een belangrijke boodschap voor ons vandaag. En morgen. We zijn kerk in een samenleving waar mensen steeds meer tegenover elkaar zijn komen te staan. Dat is erg. Rampzalig wordt het pas wanneer we ons erdoor laten meeslepen. Alsof het koninkrijk van de hemel en z’n burgers op aarde geen eigen agenda hebben. Vier punten.
3.1 Ze hoeven ons niet. Die Marokkanen, zeg maar.
Een Marokkaan die zich bekeerd heeft tot het christelijk geloof, vertelde eens dat ze bij hem thuis Nederlanders altijd “vieze varkens” noemden. Wij zijn “haraam”. Onrein. We hoeven niet aan te nemen dat alle Marokkanen zo over alle Nederlanders spreken. Maar zelf àls… Laat het dan een verrassing van de Here Jezus zijn: wij zijn niet vies van hen! Er zijn geen onreine dieren meer. Jezus wil ook alle soorten mensen reinigen. “De Palestijnen, Turken, Marokkanen zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht”.
De toepassing van Handelingen 10 is niet dat wij tegen moslims kunnen zeggen dat Jezus nogmaals alle spijzen rein verklaarde. Dus dat ze best varkensvlees mogen eten. Niet zíj, maar wíj moeten er iets mee. Namelijk: geloven dat de kerk sinds Pinksteren een multinational is. En even zwart behoort te zijn als de wijk waarin ze staat.
3.2 Maar de deur zit toch ook niet op slot?
Nou ja, behalve in sommige grote steden. Omdat “die mensen” anders uit onze jassen komen stelen. Maar eigenlijk kan dat natuurlijk helemaal niet. De kerkdeuren moeten open staan. En niet alleen om mensen binnen te laten. Ook om er zelf door naar buiten te kunnen! Zoals Petrus naar Cornelius. En Paulus naar de synagogen.
De kerk moet weer leren preken. Niet alleen binnen, maar ook buiten de muren. En niet alleen maar een paar vrijgestelden, die daarvoor worden betaald. Wij moeten, naar het woord van de apostel Petrus, allemaal “bereid zijn om ons te verantwoorden” wanneer een moslim vraagt “waarop de hoopt die in ons leeft gebaseerd is”. “Vriendelijk, maar beslist”, zegt Paulus. De joden een jood en de Turken een Turk. En, net als Petrus, altijd maar weer over Jezus. “Met bevel van geloof en bekering”.
3.3 Zitten ze daar dan op te wachten?
Nee, zou je zeggen. Zeggen ze zelf ook, trouwens. Maar al eeuwen vóór zijn komst in het vlees zei de HEER over zijn knecht in aantocht: “De eilanden zien naar zijn onderricht uit”.
Er zijn vast en zeker nog heel veel moslims, die tot vandaag alleen maar koranverzen hebben gereciteerd, maar ze dromen intussen van Jezus. Het wachten is op Petrussen, die durven geloven dat God ervan houdt om ook in Berberse tongen te worden geprezen.
Men zegt: moslims zullen zich nooit bekeren tot de Christus der Schriften. Misschien moeten wij ons eerst maar eens bekeren. Is het grootste probleem dat wij nog net zo verbaasd zijn als de Jeruzalemmers van Handelingen 11 wanneer de Geest wordt uitgestort over Algerijnen en Afghanen. Omdat wíj mensen niet geschikt vinden voor Gods koninkrijk, zolang ze zich nog vergapen aan Al-Dzjaziera.
3.4. Wat moeten die lui hier eigenlijk?
Ze mochten hier komen werken. Maar wat nu gebeurt, was natuurlijk nooit de bedoeling. Ze willen hier de boel misschien wel overnemen, de moslims.
Wat moest Cornelius in Caesarea? Hij hoorde bij de bezettende macht uit Europa. De keizer had hem gestuurd. Maar tegelijk had God hem gebracht. Al eeuwen tevoren had de Almachtige het plan opgevat om de Romeinse officier met de Galilese visser in contact te brengen. Gênant, dat de visser z’n net pas uitwierp toen hij er echt niet meer onderuit kon.
Waarom krijgen wíj tegenwoordig geen visioenen meer? Misschien is het dat wij niet meer durven dromen. Van een regenboognatie. Durven we niet te hopen op wat Christus Zelf beloofde: een kerk van mensen uit alle landen en volken, samen in de naam van Jezus. Later. Maar ook hier en nu.
Maar het mag. Het moet. Maakt niet uit hoe de maatschappij zich ontwikkelt. Misschien gaat het beter. Misschien gaat er nog veel meer verkeerd. Onderhand ziet de Zoon van God ook dan zijn kans schoon “om Zich een gemeente te vergaderen uit het hele menselijke geslacht”.
Jarenlang hebben wij zendelingen de hele wereld over gestuurd. Wij dachten dat er geen witte vlekken meer waren. We hebben “de kustlanden” uit de oude profetie van Jesaja over het hoofd gezien. Maar God zet mensen vandaar bij ons op de stoep. Aan ons de taak om ze binnen te nodigen. Om met hen te eten. Denk aan Petrus. Denk aan Jezus.
Amen
terug
